Mokkes in soutien

Het Nederlands en ik zijn vriendinnen, zoveel is duidelijk. En van vriendinnen wordt verwacht dat ze eerlijk zijn tegen elkaar, zonder elkanders gevoelens te ontzien. Door me af en toe met de neus op de fouten te drukken, houdt mijn moedertaal me met beide voetjes op de grond. Neddie – zoals ik de taal noemen mag – houdt bijvoorbeeld niet van mijn Franse r en mijn onvermogen om het woord “geëlektrocuteerd” uit te spreken. Ook met mijn verbastering van “kwartier” tot “kwartuur” gaat ze niet akkoord, alhoewel ze niet ontkennen kan dat mijn variant heel wat logischer is dan de hare.

Volgens onze open hartstipulatie mag ook ik te gepasten tijde mijn gevoeligste orgaan een keer luchten. Wel, Neddie, bij deze; ik vind niet alle woorden die jij geselecteerd hebt om deel uit te maken van de standaardtaal even bevallig. Versta me niet verkeerd, ik ben fan van enorm veel Nederlandse woorden, dat weet Neddie best. Toch heeft mijn boezemvriendin hier en daar een steekje laten vallen. “Borst” en – wie houd ik voor de gek? – ook “boezem” vind ik heel erg lelijk.  Om nog te zwijgen van het bijhorende “soutien”, hét onding der woorden. “Dipje” hoor ik ook niet graag, evenals “flacon”, “baret” en “gêne”.   

De blauw-wit-rode draad staat duidelijk strak gespannen. Maar liefst vier van de zeven aangehaalde gedrochten zijn van Franse oorsprong. Een verrassing kan ik dat niet noemen. Leenwoorden? Het zal wel zijn. Het zijn dwangwoorden, verdorie! Naast buurman Frans brachten ook jongelui heel wat smetten op onze taal. Hun gebruik van “ziek” als versterkend bijwoord is ronduit ongepast. Ook “yolo” vind ik misselijkmakend. En waar komt zo plots de term “mokke” vandaan? Het is “mokkel” of “moeke”, tienermeisjes. Iets daartussen is uit den boze.

Eerlijk duurt het langst. Zeg daarom steeds zonder gêne wat je op je lever hebt, eender welke mokke je daarmee tegen de borst stoot, anders kom je zelf in een dipje terecht. Span dus je soutien strak rond je boezem, plaats je baret achterstevoren op je hoofd en neem nog een ziek grote teug van je flacon. En dan? Gal spuwen maar! YOLO!  

Advertisements

Donald Duck op het strand

Zomer. Het ideale moment om te genieten op het strand, zegt men dan. Wie ben je toch, ‘men’, en hoe haal je het in hemelsnaam in je hoofd de woorden strand en genieten samen te noemen? Weet je waarmee ik een strand associeer? Halfnaakte kinderen. En niet halfnaakt op de traditionele broek-zonder-shirtmanier. Nee nee, jongens en meisjes die de zandvlakte terroriseren als ware Donald Duck-imitators; gewapend met T-shirt, trui en – om me helemaal uit mijn humeur te brengen –  soms zelfs een zonnehoedje, terwijl elk spoor van een broek ontbreekt. Vind jij daar ook maar iets genietbaars aan, ‘men’? Ik niet.

Het nut van die overvloedige bovenkleding zie ik nog wel in. Geen enkele ouder legt ’s avonds graag zijn kind met koraalrode lichaamsdelen in bed om het vervolgens tot diep in de nacht moord en zonnebrand te horen schreeuwen. Maar waarom de grens trekken boven de gordel, vormen de billen en het – om in de strandsfeer te blijven – parasolletje van hun zoon dan geen gevarenzones?

Niet alleen in de strijd tegen de zon, maar ook in heel wat andere situaties kan dat dunne laagje stof het verschil maken. Ik denk dan aan aanvaringen met kwallen, zoektochten naar scherpgeschaalde krabben en zelfs gewoon neerzitten op het strand. Zand op die speciale plaats, liever zij dan ik!

Je weet het misschien niet, ‘men’, maar er bestaat binnen een kleerkast wel degelijk een hiërarchie. Zie het maar als het schaar-steen-papier der kledingstukken; een T-shirt wint het van sokken, een broek van een T-shirt. Donald Duck, Winnie de Poeh en hun navolgers aan de Vlaamse kust gaan dus schaamteloos in tegen de kledingethiek. Na het baden bindt de anders zo schroomloze Disney-eend echter wel een handdoekje om. Zelfs een tekenfiguur kent dan toch fatsoen. Neem daar maar een voorbeeld aan, strandgangers!

Ook aan zee wordt er immers waarde gehecht aan fatsoen, al zou je dat wel eens kunnen vergeten, misleid door de vakantiesfeer en kleurrijke setting. Maar op het strand geldt dezelfde regel als op andere openbare plaatsen; broek goed, geen broek slecht. Op school en op restaurant lijken kinderen zich daar prima aan te kunnen houden. Waarom op het strand dan niet?  

Wanneer ik na een lange stranddag mijn kalmte dreig te verliezen en het zoveelste sliploze joch letterlijk en figuurlijk de broek op wil binden, zoek ik soelaas in het besef dat ik het fenomeen enkel daar aantref. Ik mag al blij zijn dat ik op de tram of in de supermarkt nooit jongens of meisjes tegen het ontblote onderlijf loop. Bovendien mag ik van geluk spreken dat de Donald Duck-trend voorlopig nog niet door volwassenen is opgepikt. Zo lang ik me op mijn handdoek nog rustig kan omdraaien zonder vervolgens oog in oog te staan met een kingsize parasol, prijs ik mezelf een geluksvogel. Een geluksvogel gehuld in een broek, weliswaar.  

Pleinvrees

Ik, bang voor open ruimten? Niet zozeer. Bang voor overbevolkte pleinen en boulevards waar duiven en mimespelers elkaar naar de kroon steken om onschuldige wandelaars de stuipen op het lijf te jagen? Dat wel. Oh ja, dat zeker wel. Bah die stedelijke duiven. Zo scharrelen en fladderen, opvliegen en neerduiken. Schaamteloos dartelen ze zich keer op keer een weg naar mijn overprijsde groene groenteloze smos en slenteren ze uitdagend voor mijn vastberaden voeten. Eén onfortuinlijke keer had zo’n pluimige griezel zelfs het lef om tegen het hoofd van mijn fietsende klasvriendin aan te vliegen. Een traumatische ervaring voor zowel vrouw als vogel, dat laat zich wel raden. Vreemd en jammer genoeg stelt de duivengemeenschap slechts zelden haar ergerlijke praktijken in het werk om de angstaanjagende groen geverfde mannen, in singletjes gehulde goochelaars en hyperactieve clowns van hun ‘theater’ te weerhouden. Van teleurstelling gesproken.

Om straattheater kan ik huilen als een kind, en niet op de goede manier. Er hoeft maar een als standbeeld verklede gozer ‘boe’ te roepen of, nog erger, te fluisteren wanneer ik hem noodgedwongen – de mensenmassa op het plein of de boulevard durft mijn grote cirkel rond het object / subject wel eens te verhinderen – op te korte afstand passeer om de hysterische kleuter in mezelf te ontketenen. De waanzin wordt nog erger als de straathoek door een clown met ballonnen en een waterspuitende bloem is ingepalmd, dan ben ik helemaal in de aap gelogeerd. In dat geval is rechtsomkeer dan ook de enige mogelijke richting. Sinds er een duivelse clown me de hele Barcelonese Rambla lang met al zijn grappen en grollen en in een stevige looppas op de hielen heeft gezeten, is mijn verstandhouding met zijn immer vrolijke volk niet meer wat ze geweest is. Zelfs tot hond gevouwen ballonnen slaan me dezer dagen al duchtig uit het lood.   

Onbezorgd shoppen zit er voor mij dus niet meer in. Telkens ik een wandelstraat doorkruis, ben ik voortdurend op mijn hoede. Zelfs als ik het middenstuk van de baan – ook wel eens het hazenpad genoemd – kies en te allen prijze oogcontact met de straatartiesten vermijd, zijn er nog de duiven, wiens kraalogen mijn blik onmogelijk kan ontwijken. Soms rest me dan ook maar een manier om mezelf in veiligheid te brengen: hollen. Hollen, hollen, hollen als de wind, weg van de clowns, weg van de duiven, weg van het vreselijke plein.  

De geur van oranje

Als een bezetene heb ik geraapt, snoep geraapt als nooit tevoren. Selectief te werk gaan was daarbij geen optie, het was rooien of berooid worden. En de ‘rooie’ wilden we net allemaal, die lekkere aardbeinapoleonbollen en –fruittella’s. Toch gristen we onvermijdelijk – maar niet onoverkomelijk –  ook anderskleurige snoepjes mee, afkomstig uit de buik van de piñata. Groene, gele, witte, bruine en helaas ook een handvol oranje… 

Appelsiensmaaksnoepjes zijn niet mijn favorieten, integendeel, ik eet ze absoluut niet graag. Ook koekjes gevuld met sinaasappelsmurrie kunnen mij niet bekoren, ongeacht hun heerlijk chocoladeomhulsel. Is mijn fruituitgesluit te wijten aan mijn kleurafkeur? Dat ik walg van de kleur oranje staat immers als een paal boven water. Zelfs nog voor ik drieënhalf maanden in een gemeentewerkerkleurig harnas door het leven moest gaan, verafschuwde ik ze al. Te schreeuwerig, te gemaakt. Zelfs echte appelsienen zien er in hun oranje cellulitisjasje niet realistisch uit.

Toch vind ik het werkelijke fruit wél erg lekker. Sinaasappel bedoel ik dan, op mandarijn ben ik minder tuk. De smaak ervan is nog wel te pruimen, het is vooral de geur die ik verfoei. Een mandarijntje smikkelen als lunchdessert is dan ook de meest effectieve manier om mijn twee boterhammetjes met choco van alle smaak te ontdoen. Op te dichte afstand een schotelvod hanteren, komt op de tweede plaats. De waaghals die het in zijn hoofd krijgt zijn smerige mandarijnhanden onder mijn neus te wrijven, mag het met zijn leven bekopen. Of met een heleboel fruittellasnoepjes. In alle kleuren, behalve oranje. 

Poes Frank op de hoedenplank

Sinds ik mijn ‘L’ in handen heb, zijn auto’s niet meer mijn beste vrienden. Niet dat ik vroeger obsessief aan allerhande rijtuigen verslingerd was, maar toen waren ze in elk geval opvallend minder frequent in mijn nachtmerries aanwezig. De versnellingspook, de koppeling, de pinkers, de rem en het gaspedaal: stuk voor stuk horrorobjecten. Toch veroorzaken ze nog niet het allergrootste wagenonbehagen. Luchtverfrissers, achterruitslogans en hoedenplankmisbruik spannen namelijk de kroon.  

Hoewel er intussen al heel wat modernere varianten op de markt zijn, blijft de traditionele autoluchtverfrisser in de vorm van een dennenboom een graag gezien gadget in menig personenwagen, vrachtwagen en camionette. Tot zo ver geen probleem, je auto van een aangenaam geurtje voorzien is een lovenswaardige onderneming. Het is pas bij wat de mensen beschouwen als ‘aangename geur’, dat het schoentje danig wringt. De producenten van Arbre magique hebben oneindig veel frisse aroma’s in hun aanbod, gaande van pomelo-limoen tot wilde rozen. En toch zijn het steeds de kokos- of vanilleboompjes die in het winkelmandje en vervolgens aan de achteruitkijkspiegel van de klanten belanden. Een ernstige vorm van wagenziekte krijgen ze er gratis en voor niets bij.  

Ook als het op de inrichting van de hoedenplank aankomt, maken auto-eigenaars vaak keuzes die ik betreur. Pluchen dieren horen niet thuis daar voor de achterruit, hoeden moeten er staan! Liefst een voor vrouwen met een lange pluim en een voor mannen met een deuk. Laat die verkleurde teddybeer voortaan maar thuis in bed, of geef hem desnoods aan baby Stan, die immer present is ‘in den otto’.

Waarom vinden ouders dat toch zo leuk, zo’n tussentalige slogan op hun wagen? Andere chauffeurs aansporen om veilig te rijden, vind ik een prima idee. Maar doet een gepersonaliseerde variant in correct Nederlands je achterruit en baby niet veel meer eer aan? Slagzinnen als “Ons Pietje is er ook bij in zijn zitje”, “Rij rustig aub, in de auto zitten Marie en René” of “Niet te hard, in de kinderstoel zit Ward” zijn, in tegenstelling tot “Stan in den otto”, wel spek voor mijn bek. Personen met een soortgelijke boodschap op hun koffer, kunnen zich haast alles permitteren. Zelfs de hoeden met een deuk en een pluim vervangen door een knuffelbeest is mits aankondiging geoorloofd. Een simpele “Poes Frank op de hoedenplank”-sticker en de weg ligt helemaal open. 

Ik ben erger(lijk)

Het is goed in eigen hart te kijken, zo wordt wel eens gezegd. De splinter in het oog van de ander merk ik sneller dan wie dan ook op. Er is geen koe zo bont, of er zit wel een vlekje aan. Nu is het moment daar om apostel Mattheüs lik op stuk te geven en te bewijzen dat ik me ook van de balk in mijn eigen oog wel degelijk bewust ben. Kleine kantjes? Ik heb ze zeker.

Wie daar ongetwijfeld over kunnen meespreken, zijn de keukenprinsessen van mama’s uit mijn omgeving. Mochten zij in een ver verleden mijn vriendinnen hebben aangespoord of zelfs gesmeekt om niet mij, maar een ander kindje uit te nodigen om te komen spelen, neem ik ze dat geenszins kwalijk. Mijn gezelschap aan de eettafel was – en is om eerlijk te zijn nog steeds – geen zegen. We moeten het zeggen zoals het is: Paulientje lust niet veel. Groenten, bah! Vis, vies! Zelfs water ging er tot voor kort niet zonder tegenstribbelen in. Ook bij het afruimen van de tafel ben ik geen grote hulp. Van vodden blijf ik het liefst ver weg (ook op dat vlak ben ik een viesneus) en in afwassen – met een borsteltje! – ben ik helaas niet erg bedreven.

Verder ben ik, raar maar waar, soms een beetje te streng voor de mensen. Vooral als het om kleding gaat, heb ik mijn oordeel vliegensvlug klaar. Maar zeg nu zelf, een combinatie van een rode trui en een roze broek is toch eerder colour mocking dan blocking? En de balk in eigen oog moet al van een aanzienlijke grootte zijn om een hotpants met pantybroek over het hoofd, laat staan door de vingers te kunnen zien. Ook taalfouten laat ik doorgaans niet zomaar passeren. Vast een kwestie van beroepsmisvorming. Zou een politieman op zijn vrije dag een boef gewoon laten lopen? Ik dacht het niet! Juist is juist en ‘dat noemt’ is fout.

Vingers kraken, het einde van series en films verklappen, met een Franse r praten, mezelf in stilte hullen als ik slechtgehumeurd ben,… Al die dingen doe ik verkeerd. Wie ben ik dus eigenlijk om een hekelblog te schrijven? Wie boter op zijn hoofd heeft, moet niet in de zon gaan staan. Toch pik ik al eens graag een zonnestraaltje mee en spui ik graag mijn gal. Laat je daardoor niet uit het veld slaan, ik heb het vast niet eens over jou. Maar mocht het schoentje je toch passen, trek het dan gerust aan. Die raad volg ik zelf maar al te graag op: passen, aantrekken en kopen. Zo geef ik mezelf een licht in het donker, een strohalm om naar te grijpen: hoeveel tekortkomingen ik ook heb, aan schoenen zal het me nooit ontbreken. 

Tot in de sneeuwigheid

Sikkeneurig. Sikkeneurig word ik van de sneeuw. Het plan om op deze hekelblog nogmaals een positieve noot te laten weerklinken, zit daarom in de koelkast. Zo lang de straten bedolven blijven onder een sneeuwtapijt, blijft mijn roze bril dat ook. Eerlijk is eerlijk. Op 12 maart hoort er nu eenmaal geen winterse neerslag meer uit de lucht te vallen. Geen zon in de lucht, geen zon in mijn hart, nah!

“Er is niemand schuldig aan het slechte weer hè”, sprak de oude vrouw naast me op de tram me wijselijk toe. “We kunnen niemand de schuld ervan geven”. Haar woorden riepen eerder mijn achterdocht op dan dat ze me geruststelden of hielpen te relativeren. Op het punt aangekomen waarop de gerimpelde dame me voor een derde keer de (on)schuldkwestie op het hart drukte, was ik van de natuurlijke oorzaak van de sneeuw al lang niet meer zo zeker. “Gij zult er wel voor iets tussenzitten, heks” als weerwoord dienen, vond ik echter een brug te ver. Vriendelijk vragen of de schuldige anders zo aardig zou willen zijn om een graad of twintig extra in de strijd te gooien, leek me een beter alternatief. Met een beetje geluk tovert de sneeuwoma op mijn verzoek vandaag of morgen de zon wel uit haar pelsen hoed. Fingers crossed!

Laten we toch maar het zekere voor het onzekere nemen en onze winterplunje binnen handbereik houden. De doos gelabeld ‘zomerkledij’ blijft bij mij in elk geval nog onaangeroerd op de kast. Mijn dubbele laag pantybroeken, allerdikste truien en wintersrode neus daarentegen, vergezellen me voorlopig nog op elk uitje dat ik maak. Samen trotseren we de bijna Lentese koude, de pantybroeken, de truien, mijn rode neus en ik. Samen bevroren en samen sikkeneurig, tot in de sneeuwigheid.